Ruilen, passen of toch leggen?

Ruilen kost een hele beurt en levert nul punten op — en toch is het geregeld de beste zet. De afweging: wat dit rek de komende twee beurten waard is tegenover wat een vers rek gemiddeld oplevert.

De rekensom achter ruilen

Een gemiddelde beurt levert grofweg 20 tot 30 punten op. Een geblokkeerd rek (zes medeklinkers, dubbele dure letters, een eenzame Q) drukt dat naar 10 of minder, en dat meestal twéé beurten lang. Ruilen kost je één beurt van ±25 punten, maar herstelt de rest van de partij. Vuistregel: zie je twee beurten vooruit geen zet van 20+ punten, ruil dan nu — hoe eerder in de partij, hoe goedkoper het is.

Wat zit er eigenlijk in de pot?

Van de 104 tegels zijn er 38 klinkers (A×7, E×18, I×4, O×6, U×3) en 2 blanco. De E en de N zijn met 18 en 11 stuks veruit het talrijkst. Ruil je vroeg, dan trek je dus waarschijnlijk werkbare letters. Laat in de partij verschuift dat: tel welke letters al gespeeld zijn voordat je ruilt — de letterwaardentabel geeft alle aantallen.

Wat ruil je weg?

  • Dubbele dure letters (twee keer C, W of Z): één mag blijven, de tweede is dood gewicht.
  • De Q zonder uitzicht op een U — of speel hem weg via een Q-woord zonder U.
  • Houd bij het ruilen je beste letters vast: de S, de blanco en een klinker-medeklinkerbasis zoals A-E-N-R-S-T.

Passen: bijna nooit — met één uitzondering

Passen levert niets op en mag alleen aantrekkelijk lijken als de pot leeg is (dan kún je niet meer ruilen) en elke legbare zet je tegenstander meer oplevert dan jou. Let wel op de beëindigingsregel: na drie keer passen op rij eindigt het spel en gaat de restwaarde van beide rekken van de eigen scores af. Sta je voor, dan kan bewust op het einde aansturen zelfs winnend zijn — reken het na met de eindspelgids.

← Alle strategieartikelen